De voorwaardelijke invrijheidstelling op de schop: terecht of niet? Een (ondoordacht) wetsvoorstel nader beschouwd

dinsdag 22 oktober, 2019

Geschreven door Willemijn Oosterbaan-van Veen 

Minister Dekker heeft een wetsvoorstel ingediend dat er toe zou moeten leiden dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van een gedetineerde maximaal twee jaar voor het einde van de gevangenisstraf in gaat.

Hoe is de regeling nu?

De regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) zoals die nu geldt, houdt in dat een gedetineerde na tweederde deel van de opgelegde gevangenisstraf uitgezeten te hebben, onder voorwaarden in vrijheid kanworden gesteld. Dit geldt alleen bij gevangenisstraffen van minimaal 1 jaar en die bovendien geheel onvoorwaardelijk zijn opgelegd.

Het komt op het volgende neer;

  • onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minder dan een jaar: volledige gevangenisstraf uitzitten, geen v.i.-regeling.
  • gevangenisstraf met een voorwaardelijk deel: onvoorwaardelijk deel volledig uitzitten, geen v.i.-regeling; (voorbeeld: een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk betekent vijftien maanden zitten)
  • gevangenisstraf van meer dan een jaar, maar minder dan twee jaar; na een jaar en 1/3 deel van het restant van de straf voorwaardelijke invrijheidstelling; (voorbeeld: gevangenisstraf van achttien maanden, de gedetineerde kan na veertien maanden in vrijheid worden gesteld)
  • gevangenisstraf van meer dan twee jaar, na 1/3 deel van de volledige straf voorwaardelijke invrijheidstelling. (voorbeeld: gevangenisstraf van twaalf jaar: na acht jaar kan gedetineerde in vrijheid worden gesteld).

Ik zeg bewust dat de gedetineerde in vrijheid kan worden gesteld. Dit is niet een recht waar de gedetineerde zonder meer aanspraak op kan maken. Indien een gedetineerde zich misdragen heeft tijdens de gevangenisstraf, zich daaraan heeft onttrokken of de kans op herhaling niet verminderd wordt door het opleggen van voorwaarden, kan de officier van justitie vorderen dat de v.i. geen doorgang vindt. De rechter beslist op deze vordering.

Aan de invrijheidstelling kan een legio voorwaarden gekoppeld worden.

De algemene voorwaarde die altijd geldt, is dat geen nieuwe strafbare feiten mogen worden gepleegd. Indien dit wel het geval is, wordt diegene niet alleen voor dat nieuwe feit vervolgd, maar kan ook de v.i. herroepen worden en de straf geheel of gedeeltelijk alsnog ten uitvoer worden gelegd.

Naast deze algemene voorwaarde, kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Hierbij kan gedacht worden aan een gebiedsverbod, locatieverbod, alcoholverbod, meldplicht etc.

Aan de v.i. is bovendien een proeftijd gekoppeld. Deze proeftijd is gelijk aan het restant van de straf, maar minimaal een jaar.

Dat 1/3 deel van de straf voorwaardelijk wordt, betekent niet dat iemand ‘vrij’ is. Door voorwaarden op te leggen, wordt de gedetineerde voortdurend in zijn vrijheid beperkt. Dit gedeelte van de straf wordt dus wel degelijk ervaren als een straf en niet als vrijheid.

De achterliggende gedachte van de v.i.-regeling, is dat het straffen van mensen die delicten plegen een tweeledig doel heeft. Enerzijds is dat vergelding. Maar anderzijds is dat ook het voorkomen van herhaling, het iemand niet opnieuw tot last laten zijn in de maatschappij.

In het onvoorwaardelijk deel van de straf, komt die vergelding tot uiting. Het voorwaardelijk deel is er ten behoeve van de recidivebeperking. Een gedetineerde die gedurende een langere periode uit de maatschappij is gehaald en zijn tijd heeft doorgebracht in het strakke regime van het gevangeniswezen, moet wennen aan de terugkeer in de maatschappij. Na acht jaar weten mensen niet meer hoe die maatschappij functioneert en hoe ze zich binnen die maatschappij staande kunnen houden.

Hoe langer men gedetineerd zit, hoe meer tijd dit traject zal kosten. De huidige v.i.-regeling houdt daar rekening mee.

De rechtbank houdt daar uiteraard eveneens rekening mee. Immers, een rechtbank weet dat als er twintig jaar wordt opgelegd, 1/3 deel daarvan vermoedelijk voorwaardelijk zal zijn.

Met het voorstel van minister Dekker, zullen de effectieve straffen niet anders zijn. Immers, er zal rekening worden gehouden met de maximale v.i. van twee jaar. Het enige voorzienbare effect dat hiermee wordt bereikt, is dat juist de langgestraften onvoldoende begeleid kunnen worden om goed terug te keren in de maatschappij. Waar een langgestrafte nu bijvoorbeeld vier jaar begeleid wordt en zich aan een legio voorwaarden dient te houden om niet terug te keren in de gevangenis, zal dit met het voorstel van Dekker slechts gelden voor een periode van maximaal twee jaar.

Concluderend kan gesteld worden dat met het wetsvoorstel van Dekker vermoedelijk wordt bereikt dat er niet zwaarder gestraft wordt en dat het recidivegevaar bovendien wordt vergroot.